Modules hoogbegaafdheid scan

Vaak zien we dat het onderwijsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen bestaat uit (een deel van) het reguliere aanbod, aangevuld met verrijkingsmateriaal, dat in het slechtste geval, alleen maar meer van het zelfde is. Meestal werkt deze groep leerlingen daar zelfstandig mee, zonder dat zij instructie, feedback of procesbegeleiding krijgen. Passend Onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen omvat echter veel meer aspecten.

De opzet van de scan en rapportage geven inzicht over het totale hoogbegaafdheidaspect in het onderwijs. Alleen dan kun je, binnen de eigen onderwijsontwikkeling, een passend en duurzaam scholingsplan maken.

  1. Visie en beleid
    (Hoog)begaafde leerlingen zijn zorgleerlingen, als voor hen een individueel handelingsplan, en/of specifieke aanpak of extra hulp nodig is, en/of er sprake is van een specifiek probleem of beperking. Basisscholen stellen dit vast in een zorgplan. Voor (hoog)begaafde leerlingen dient het onderwijs en de begeleiding dus ook vastgelegd te worden in een plan. Om dit plan te kunnen schrijven is visie en beleid nodig op Hoogbegaafdheid. Bijvoorbeeld hoe wordt de doelgroep gedefinieerd, hoe wordt er gesignaleerd en hoe ziet het onderwijsaanbod eruit.
  2. Leerkrachthandelen en leerlingkenmerken
    Wordt er van de leerkracht speciale vaardigheden verwacht om les te kunnen geven aan (hoog)begaafde leerlingen? Het kunnen differentiëren speelt hierbij in ieder geval een grote rol, naast goede vragen kunnen stellen (drie hoogste cognitieve denkprocessen van de Taxonomie van Bloom) en de mogelijkheid om de behoefte van deze leerlingen te begrijpen en er voor open te staan. Om de (hoog)begaafde leerlingen te kunnen signaleren en begrijpen is het nodig om op de hoogte te zijn van hun (leer)kenmerken, zoals bijvoorbeeld dat het met sprongen leert, dat het samenhang benut, dat het geneigd is tot redeneren en graag uitgedaagd wil worden door probleemvraagstukken.
  3. IGDI-plus-model en differentiëren
    Al het onderzoek laat zien dat het Directe Instructiemodel het meeste leerrendement oplevert. Het IGDI plus-model (Brouwer & Ahlers, 2011) zorgt er voor dat de leerkracht ook instructie geeft aan sterke (inclusief de hoogbegaafde) leerlingen. Daardoor worden zij ook aangesproken in de zone van de naaste ontwikkeling en leren zij van het onderwijs. Om met dit model te kunnen werken, wordt de groep in drie instructieniveaus verdeeld. Een differentiatie die nodig is om Passend Onderwijs te geven aan leerlingen onder, op en boven niveau.
  4. Aanpassen methoden en materialen
    Om voor (hoog)begaafde leerlingen een passend onderwijsaanbod te creëren is het noodzakelijk de reguliere lesstof te compacten (het indikken van de methode), zodat er ruimte komt voor verrijking (verbreding en verdieping). Van Gerven en Drent (2007; 2012) maken daarbij onderscheid in de eerste leerlijn voor begaafden, waarbij 25 – 50 % van de reguliere stof kan worden verwijderd en de tweede leerlijn voor hoogbegaafden, waarbij zelfs sprake is van 50-75 %. Om een doorgaande lijn in het aangepaste lesaanbod te bewaken is het belangrijk om vast te leggen hoe dit in de school is vormgegeven. Naast compacten en verrijken kan ook versnellen een mogelijkheid zijn tot aanpassing.
  5. Zelfregulerend leren en 21st Century Skills
    Volgens Kieboom (2012) hebben (hoog)begaafde leerlingen een enorme ‘leerhonger’ en daardoor maken zij, jonger dan gebruikelijk, kennis en kunde eigen, wat vaak in de basisschool nog niet eens aan de orde komt. Het lijkt of het leren ‘vanzelf gaat’ met gevolg dat zij vaak moeite hebben met ‘leren leren’ als taken voor hun ook als moeilijk worden ervaren. Bij ‘leren leren’ is het onderdeel zelfregulerend leren in het onderwijs van belang: de mate waarin de leerlingen qua metacognitie, motivatie en gedrag actief betrokken zijn bij het leerproces (Zimmerman, 1990). Daarnaast is het belangrijk aspecten van de 21th Century Skills te integreren in het aangepaste lesaanbod van de (hoog)begaafde leerling, zoals bijvoorbeeld ICT en samenwerkend leren, om ze de juiste vaardigheden mee te geven voor het vervolgonderwijs en de maatschappij van de toekomst.
  6. Testen, toetsing en monitoring
    Om de lesstof aan te passen in de vorm van compacten is het nodig om de (hoog)begaafde leerlingen eerst te toetsen waar hun instructieniveau zich bevindt. Om leerlingen te selecteren voor een plusklas wordt soms een IQ score van 130 of meer vereist. Om leerlingen te kunnen signaleren en diagnosticeren worden protocollen gebruikt als Digitaal handelingsprotocol hoogbegaafdheid (Van Gerven & Drent, 2007) of het Si-Di R-protocol (De Bruin – De Boer & Kuipers, 2004). Het is belangrijk te weten welke testen wat meten, wanneer en hoeverre je door toetst. Daarnaast zorgt monitoring ervoor dat deze groep leerlingen blijven presteren en niet gaan ‘onderpresteren’, dat wil zeggen dat de resultaten niet meer overeenkomen met hun intellectuele mogelijkheden.
  7. Opzetten van een plusklas
    Naast aanpassing in de reguliere klas is het een aanvulling als (hoog)begaafde leerlingen een dagdeel in de week les krijgen met gelijkgestemden. Dit kan binnen de school of in de vorm van een bovenschoolse plusklas. Het is zeer aan te bevelen dat de plusklasleerkracht een scholing heeft gevolgd over hoogbegaafdheid, zodat zij deze leerlingen begrijpt en daar open voor staat.
    In de plusklas kan aan de orde komen wat het betekent om (hoog)begaafd te zijn, kan het aanbod gekoppeld worden aan de doelen van ‘leren leren’, ‘leren denken’ en ‘leren (voor het) leven’ (SLO). Verbreding kan plaatsvinden door bijvoorbeeld filosofie aan te bieden. Een plusklas kan niet alleen voor midden- en bovenbouw maar ook voor kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong.
  8. Opzetten steunpunt (hoog)begaafde leerlingen binnen een Samenwerkingsverband
    Basisscholen die bezig zijn om een passend aanbod te creëren voor (hoog)begaafde leerlingen hebben veel baat bij een steunpunt binnen hun samenwerkingsverband. Alle vragen die leven bij de directeur, de interne begeleider en de (plusklas)leerkracht die ze zelf niet of lastig vinden te beantwoorden, kunnen gesteld worden bij het steunpunt. Daarnaast hoeven alle scholen binnen het samenwerkingsverband niet hetzelfde wiel uit te vinden.. De krachten worden gebundeld.
  9. (Hoog)begaafde onderpresteerders
    Het is belangrijk dat (hoog)begaafde onderpresteerders vroeg worden gesignaleerd. Slimme kleuters hebben al de neiging om te gaan onderpresteren. Ze zien al heel snel wat ‘gebruikelijk’ is en passen zich snel aan om bij de groep te horen. Ze gaan bijvoorbeeld weer krassen, terwijl ze al poppetjes kunnen tekenen. Onderpresteerders zijn niet zichzelf; ze spelen een rol. Ze lopen grote risico om te stranden in het onderwijs en in de maatschappij.
  10. Leerlingen met een ‘dubbel bijzonder’ profiel
    Sommige leerlingen zijn bijvoorbeeld hoogbegaafd en dyslectisch, of hoogbegaafd en ADHD. Dat vergt twee aanpassingen in het onderwijs: één gericht op de hoogbegaafdheid en bijvoorbeeld één op dyslexie. Regelmatig komt het voor dat de focus ligt op dyslexie of ADHD: De leerling laat geen hoge cognitieve prestaties en daarom wordt er niet aan gedacht dat er ook nog sprake kan zijn van hoogbegaafdheid. Een dubbele problematiek, waarbij het belangrijk is dat de leerkracht, door de interne begeleider/hoogbegaafdheidcoördinator wordt ondersteund in het maken van een groepsplan met vermelding van onderwijsbehoeften, die rekening houden met beide bijzonderheden.